De meeste marathons beginnen waar de vorige eindigde. Direct na de finish denk je, vlak nadat je hardop hebt gezegd dat je dit nooit meer gaat doen, waar je het hebt laten liggen en hoe je het de volgende keer gaat aanpakken.
Mijn vorige marathon eindigde op station Zuidplein. Een gekneusde rib nadat ik met mijn motorscooter als een soort bowlingbal over de rotonde bij de benzinepomp aan de Bergweg-zuid gleed. ‘Voor hen die vielen’ staat er op het monument een meter of vijfhonderd verderop. Maar dat was niet opgericht voor onfortuinlijke Vespa-rijders.
Een griepje in de week voor de marathon en het was een ‘recipe for disaster’. Maar dat was 2025. We zijn een jaar verder en als er iets was dat ik per se wilde voorkomen dan was het wel om weer op station Zuidplein te stranden.
Ik had nachtmerries waar ik tussen hordes K3-fans in mijn bezweette hardloopkloffie tussen de roze cowboyhoeden terechtkwam. Ik bedoel, er zijn maar twee type mannen die lycra aankunnen op een specifiek moment. Dat zijn drummers van oubollige metalbands en middelbare hardlopers. Vanaf dat moment zat Bon Jovi als een oorwurm in mijn hoofd.
Oh, we’re halfway there
Oh-oh, livin’ on a prayer
Om eenzelfde einde als vorig jaar allemaal voor te zijn had ik meer getraind dan in aanloop naar de tien marathons die ik hiervoor liep. Een paar vlotte halve marathons en de langzame lange duurlopen gaven me voldoende vertrouwen. Een paar maanden lid zijn van de blauwe knoop, kan ik overigens echt niemand aanraden, deed de rest. Met de fitheid zat het wel snor.
Maar dan komt, nog voor de dag zelf, de taperfase. Heb ik genoeg getraind? Heb ik genoeg gerust? Heb ik genoeg gegeten? Mocht je nog geen narcistische neigingen hebben dan komen al die eigenschappen boven water drijven in de week voor de marathon zelf.
Een zaterdag van eten, drinken en rusten en dan is het zondag. D-Day (of beter M-Day), de dag die al maanden omcirkeld in de agenda staat. De datum die alle sociale events vóór 12 april in de schaduw had gezet. De datum die je partner inmiddels tot wanhoop heeft gedreven.
Een ander (groot) nadeel van een marathon lopen is dat je bubbel alleen maar over hardlopen lijken te gaan. Gevoed door de regionale pers die werkelijk ieder haakje gebruikt voor krantenartikelen met koppen als dit.
‘Arie uit Krimpen raakte zijn papegaai kwijt en loopt nu de marathon’
Tel daar allerhande runfluencers bij op en je wordt gillend gek. Marathon, marathon, marathon. Als een soort mantra van een boeddhistische monnik. Het kapsel heb ik al. Alleen de zelfkastijding niet.
En toen was het zover. Als er op Strava een statistiek zou zijn met wie je de meeste kilometers gemaakt hebt in je leven dan zouden Claudia en Monique op de nummers een en twee staan. Het voelde ook wel goed om samen met de dames, die ik gekscherend mijn hardloopharem ben gaan noemen, te starten. Al die rondjes Groenzoom, al die gekke routes heen en weer naar Rotterdam en al die wedstrijden die we samenliepen.
De eerste twee kilometers trok ik met de dames op en toen ging ik mijn eigen race lopen. Niet per se op weg naar een PR maar de kilometertijden logen niet: Het zou vandaag kunnen. Op weg naar De Kuip waar ik misschien wel 1000 wedstrijden van Feyenoord gezien heb door de jaren heen, langs de waterpost die door mijn Roparun-teamgenoten bemand werd richting het Havenspoorpad waar de mensen rijen dik stonden. Een te lange lus in de buurt van De Slinge en op naar het punt halverwege. Alle seinen stonden nog op groen. Dit ging prima. Bon Jovi was het met me eens.
We’ve gotta hold on to what we’ve got
It doesn’t make a difference if we make it or not
Eenmaal terug richting de stad het spotten van vrienden en bekenden en toen gebeurde hetgeen dat ik niet moet doen: Ik ging nadenken. Juist hetgeen wat mijn vrouw me altijd verwijt niet te doen (grapje mensen) ging ik nu doen.
Ik begon na te denken. Over de afstand die ik nog moest afleggen. Over de toch wel opspelende warmte en toen zag ik mensen wandelen. Mijn benen bleken er ook een eigen mening op na te houden, dat willen wij ook. Het begin van het einde.
Wandelen, toegeschreeuwd worden, rennen. On repeat. Ergens tussen kilometer negenendertig en veertig kwamen Monique en Claudia weer voorbij en beukten we de laatste twee kilometers door. Achteraf zou je kunnen zeggen: had maar gewoon met zijn drieën gelopen. Maar dat is te makkelijk. Als je een aanval op je PR wil doen dan moet je er ook voor gaan. En bij aanvallen hoort ook kunnen sterven.
Maar met deze twee dames over de finish te komen voelde meer dan goed. Al die honderden, nou ja duizenden, kilometers die we samenliepen. Dit was eigenlijk een prima einde. En volgend jaar? Dat zien we dan wel weer.
Whoa, we’re halfway there
Whoa-oh, livin’ on a prayer
Take my hand and we’ll make it, I swear
Whoa-oh
















Jouw reactie hier!