Seven-Eleven

Het bericht dat Amerikaanse investeerders geïnteresseerd zouden zijn in een deel van de aandelen van Feyenoord bereikte mij in Bangkok. In de straten van de Thaise hoofdstad was het drukkend warm. Zo warm dat een bezoekje aan een van de vierduizend Seven-eleven supermarkten die de stad rijk is, en waar het binnen ijskoud is, een welkome afwisseling is voor een net gearriveerde toerist.

In het straatbeeld van Bangkok verliest Boeddha steeds meer terrein aan smartphone, shoppingmalls en Starbucks. Per bezoek neemt het gevoel dat het mystieke Azië hier aan het afbrokkelen is toe.

Zou het imago van Feyenoord ook afbrokkelen met de Amerikaanse investeerders? Een cultclub met een stadion dat weliswaar hoog op de bezoeklijstjes staat bij echte voetbalfans maar waar het achterstallig onderhoud steeds meer aan het daglicht komt.

Wordt die cultclub, die overigens zelden kampioen wordt, een speeltje van miljonairs die meer willen bepalen dan ons lief is? Van Droomparken naar de Big American Dream? Van krantenjongens naar miljonairs?

Maar wat als we daardoor wel goed voetbal krijgen te zien en prijzen gaan winnen? De gedachte alleen al voelde als het verkopen van mijn ziel aan de duivel. Maar ook ik zou wel eens een normale, rustige voorbereiding mee willen maken. Of een seizoen waarin Feyenoord eindelijk een einde maakt aan de ‘slapende reus’ en gewoon een wakkere reus wordt die krachtig gaat heersen in de vaderlandse competitie. Waar titels geen incidenten meer zijn. Eindelijk een keer al die verwachtingen waarmaken.

Verscholen naast een van de Seven-Elevens was de ingang naar een Boeddhistische tempel. De zware geur van wierook kwam me tegemoet. Een meisje met een smartphone bracht een offer aan haar god.

Vooruitgang en traditie hoeven elkaar niet te bijten bedacht ik me. Dan neem ik een Starbucks in De Kuip wel op de koop toe.

Angkor Wat halve marathon

Zo, dat was even (nou ja, even) afzien vandaag. Sinds de Roparun en de oogoperatie slechts een paar keer kunnen rennen. En dat ga je voelen hoor. Zeker als het 29 graden is en de luchtvochtigheid boven de 80%.

De start was om 5:30 en de wekker stond om 4:00 uur. Energiedrank, wat zoetigheid en op pad met Jan en Gerard.

Voor een donker Angkor Wat was het een kabaal van jewelste. Lopers uit alle windstreken. En ook veel deelnemers uit de buurlanden. Zo werd ik bij het ophalen van het startnummer geïnterviewd door de Vietnamese televisie. Ik gaf een prognose van 2 uur á 2 uur 10 af. Dat leek me reeel gezien mijn vorm en de omstandigheden.

De eerste vier kilometer gingen prima. Rustig tempo aangehouden en water gepakt bij de drinkpost. Op zes kilometer een velletje omdat ik me niet echt sterk voelde. Daarna eigenlijk van waterpost naar waterpost gerend (om de 2km) en zelfs af en toe gestopt voor een foto. Winnen ging ik toch niet en ik wilde mijn hartslag onder de 170 houden. Niet te gek doen hé.

Op een gegeven moment kwam de nummer 1 van de hele marathon voorbij en die liep stevig door. Na het samenkomen van de 21 (en 42) met de 10 kilometer wedstrijd kwam je vooral wandelaars tegen die de 10km aan het lopen waren.

Op de klok stond 2:13 maar omdat ik niet direct weg was zal het wel een minuutje sneller zijn. Mijn ‘slechtste’ halve marathon ooit. Maar soms moet je gewoon genieten.

Bij de ratten

Deze ratten van Apopo kunnen (sneller dan conventionele apparatuur) landmijnen opsporen en daar liggen er nog enorm veel van in Cambodja. Daardoor zijn stukken land niet te gebruiken en vallen er jaarlijks nog gewonden. Een geweldige organisatie dus.