Oogappel

Ff kort berichtje. Oog ziet er goed uit dus groen licht voor vakantie en hardlopen.

Oogdruk is wel wat hoog dus dat gaan ze in de gaten houden voordat het glaucoom kan worden. Sterkte geopereerd oog wijkt zoals het er nu naar uitziet maar weinig af qua sterkte. Oog moet nog iets minder soepig worden. Vliegen mag dus maar gevraagd om standaard oogdruppels tegen de droge lucht.

Goed nieuws dus. Ook recent wondje aan oppervlakte is genezen. Nou ja, dat dus.

Lichtschuw

Tsja, was ik eindelijk echt op de goede weg met het oog: ik was weer aan het werk (paar uur per dag), had zelfs een rondje van vijf kilometer gewandeld in een tempo waarbij je tijdens de marathon van Rotterdam met confetti en sirenes binnen gehaald zou worden totdat ik last van hoofdpijn kreeg. En ik begon met steeds meer als Dracula te gedragen qua zonlicht (dat heet lichtschuw met een mooi woord).

Dus gisterochtend toch maar weer naar het oogziekenhuis gegaan. Gelukkig kan Sandra zorgverlof opnemen. En na veel wachten en een paar onderzoeken bleek dat er een scheurtje in het hoornvlies zit. Dat is binnen een paar dagen op te lossen met een zalfje dus echt erg is het niet. Maar vervelend is het wel allemaal.

Morgen weer controle in het oogziekenhuis en donderdag op bezoek bij de ARBO-arts. Je hebt er gewoon een dagtaak aan, aan al die ellende.

Oogje in het zeil houden

Zo, 18 dagen na de operatie en een week na de laatste laserbeurt wederom controle in het oogziekenhuis. Normaal zou ik zeggen: hopend op groen licht maar aangezien de lasers (die best zeer doen) die gebruikt werden om het netvlies dicht te maken ook groen zijn hoopte ik eerlijk gezegd niet op dát groene licht.
 
Afgelopen vrijdag was ik ook in het ziekenhuis. In mijn oog drijven nu allemaal dingen die ik als een soort van screensaver voorbij zie komen (en daar moet ik mee leren leven, ze worden uiteindelijk minder donker van kleur). Maar afgelopen vrijdag bleef de donkerste wolk continu in mijn zicht hangen. Dus even gebeld met het ziekenhuis en ik mocht/moest gelijk langskomen. De mensen die klagen over de Nederlandse ziekenhuizen lach ik voortaan vierkant uit. Als er echt wat is kun je vrijwel gelijk terecht.

 
Tijdens het laseren (dus niet eenzelfde behandeling als mensen die hun ogen laten laseren, het laseren bij mij moet vergeleken worden met hechten) kwam het feit dat ik van het Arische ras ben niet goed uit. Weinig pigment in mijn blauwe ogen en daardoor is het lastiger laseren begreep ik.
Vandaag dus de controle. Genezing gaat de goede kant op. Vliegen mag, dus we kunnen gewoon met vakantie binnenkort. Met mijn geopereerde oog zie ik ongeveer 70% nu, maar een nieuwe bril mag pas na 2 a 3 maanden.

Sporten nog even twee weken mee wachten tot volgende controle dus hardlopen zit er nog even niet in. Hechtingen van de laser zien er dus goed uit en we worden langzaam aan weer mens in plaats van piraat. Arr!
 

Oogcontact, deel 2

Nieuws van het front. Bij de controle vanochtend zag het er in principe allemaal goed uit. Het kussentje dat de scheur dicht moet drukken doet zijn werk alleen de vraag is of het genoeg druk gaf om de scheur af te dichten. De lasers vorige week lijken goed te zijn máár een paar (behoorlijk wat) extra lasertjes kon geen kwaad om garantie tot aan de deur te geven.

Direct op de laserlijst maar wel even de tijd doden in de stad.

Blijkbaar een tijdje niet op oude binnenweg geweest want er zit nu een tent die ‘sla’ heet. Vroeger kon je er bier, verdovende middelen en een klap voor je muil krijgen maar nu dus een restaurant dat sla heet. Tijden veranderen.

Enfin, de lasers gingen dit keer zonder verdoving mijn oog in. Vorige keer moest de dokter meer moeite doen omdat die gasbel van Slochteren in de weg zat. Maar dit keer deden ze wederom best pijn. Na het laseren ging ik bijna k.o.

Een koud washandje, wat water en even zitten gaven me de nodige tellen rust in de ring voor de volgende ronde. En die ronde staat voor volgende week. Conclusie : hoopvol, maar we zijn er nog niet. En nu weer rusten.

Oogcontact

Tsja, het was even stil op deze webzijde. Niet zonder reden trouwens. Tijdens/na de Roparun zag ik wat wazig. Ook wat sterretjes/lichtflitsen in mijn rechteroog, vermoeidheid dacht ik. Of stress, maar dat laatste werd in huize Peenvogel hartelijk weggelachen.

Enfin, het lachen verging mij wel een beetje nadat ik bij een consult bij de plaatselijke dokter werd doorverwezen naar de acute oogzorg van het Oogziekenhuis in Rotterdam. En helemaal toen de dienstdoende arts mij vertelde dat ik per direct opgenomen moest worden. Ik had last van ablatio retinae oftewel netvliesloslating.

Daar kan iedereen last van krijgen. In je ogen is de ruimte tussen het netvlies en de lens gevuld met een soort glasvocht. Naarmate je ouder wordt verandert de samenstelling van het glasvocht geleidelijk waardoor het op een gegeven moment los kan komen van het netvlies. Dit is een normaal proces dat plotseling optreedt. Soms kan er echter een scheurtje in het netvlies ontstaan waardoor er vocht onder het netvlies kan komen en het netvlies los kan komen te liggen. 

Een operatie was dus nodig omdat bij netvliesloslating het gezichtsvermogen uiteindelijk verloren gaat. Dat is een dure zin om te zeggen dat je gewoon blind aan een oog kan worden zonder operatie.

In mijn spijkerbroek, ik had uiteraard niks bij me want had niet verwacht opgenomen te worden, werd ik in een ziekenhuisbed gelegd met het dringende en dwingende advies plat te blijven liggen. En met plat bedoelen ze ook plat. Deze plafondplaten heb ik een uurtje of 30 vakkundig in de gaten gehouden.

Uiteraard kwam Sandra niet snel na mijn berichtjes met een pyjama, een oplader voor mijn telefoon en een tandenborstel (en nog veel meer natuurlijk). Na talloze druppels, een paar consults en weer wat onderzoeken met futuristisch ogende apparatuur kreeg ik te horen dat ik een dag later als zesde op de operatierol zou staan. Ergens laat in de middag dus. 

Na een avondmaaltijd (bami met saté mocht je het willen weten) ging ik redelijk vroeg onder de wol. De dame schuin tegenover me was van het type hypochonder en daar werd ik niet al te vrolijk van. Ik kon wonderwel op mijn rug slapen (iets wat me thuis nooit lukt) maar kreeg wel een keer een vermaning van de nachtverpleger toen mijn hoofd blijkbaar opzij was geschoven. 

Eenmaal wakker was het een lange dag wachten, podcasts luisteren en appen met bezorgde familie, vrienden en voornamelijk Sandra. Mijn operatie zou om 14:30 op de rol staan en ik had gekozen voor plaatselijke verdoving. Best raar waarom ik dat beslist had. Ik had nog nooit in een ziekenhuis gelegen en had altijd verwacht dat ik voor volledige narcose zou kiezen bij de meest simpele aandoening. En nu, bij ongeveer de engste combinatie die ik kon verzinnen van ogen en naalden, koos ik voor lokale verdoving. Rare jongens die peenvogels.

Na weer flink wat druppels en controlevragen of ik het echt was en welk oog het betrof kreeg ik zelfs een sticker boven mijn oog met een pijl erop. Dit oog ging het om. Om een uurtje of twee werd ik opgehaald en zag ik het plafond aan mij voorbijtrekken zoals ze in de meest goedkope ziekenhuisseries altijd doen voor wat extra dramatisch effect. 

De preparatie voor de operatie ging op zich best vlotjes. Eerst een verdoving met wat druppels. Toen de opdracht om naar rechtsboven te kijken waarbij ze daarna stiekem een holle naald met verdoving in de andere hoek duwden. Die zag ik echt niet aankomen. Na verloop van tijd voelt die hele omgeving zoals een verdoving bij de tandarts. En door je oog zie je helemaal niks (olé olé). Die was knock-out.

Bij de operatie zelf viel me niet mee (en ook niet echt tegen). Ik kreeg een doek over mijn hoofd met een uitsparing voor het te opereren oog. En ik,  die niet zo heel goed tegen benauwde ruimtes kan, kreeg het wel wat warm onder dat tentzeil (het voelde echt alsof ik onder iemand zijn koepeltent lag). Dat was blijkbaar te merken aan de hartslag op de monitor want er werd direct gevraagd of het wel goed met me ging. Met muziek vanaf de chirurg zijn telefoon ging het opereren vrolijk verder. 

Of het door een goedje wat ik toegediend had gekregen kwam of de moeheid weet ik niet maar ik viel dus gewoon in slaap tijdens de operatie. Alleen toen ik wakker werd bewoog ik blijkbaar want ik hoorde een rollende vloek uit de mond van de chirurg komen. Uiteindelijk werd ik een uur later naar buiten gerold en kreeg ik van de zusters een waterijsje om bij te komen van alle schrik. Het eerste wat ik te eten kreeg sinds de bami de avond ervoor.

Op de kamer zaten Sandra en Bastiaan op me te wachten en dat deed me erg goed. Mijn oog zat dichtgeplakt en dat moest zeker een nacht zo blijven. Mijn oog openkrijgen viel een dag later nog niet mee. En dat is best lastig voor je goede oog. Niet alleen vermoeiend maar ook vet irritant. Die zaterdag had ik direct de eerste controle en in de wachtkamer leek het wel een fanbijeenkomst van Roy Orbison. Eerste conclusie was dat het er goed uit zag maar de chirurg wilde wel graag dat ik dinsdag terug zou komen om het ontstane gat nog verder te laseren.

De eerste dag moest ik vooral in een treurhouding zitten en ik vond mezelf ook best zielig. Een stroom van berichtjes van mensen die vroegen hoe het met me ging zorgde nog wel voor wat verlichting. In tijd van nood leer je je vrienden kennen want er zijn ook zat mensen die helemaal niks van zich laten horen. Op zich prima natuurlijk, zo werken die dingen en ik ben zelf ook niet altijd even attent.

Maandag (en vooral dinsdag) was ik niet echt in mijn hum. Alles kost moeite en je bent zo afhankelijk. Dat is eerlijk gezegd niks voor mij. Heel veel mensen vroegen zich af hoe het nu moest met dat normaal gesproken ‘drukke bestaan’. Nou ja, ik kan echt prima luieren hoor. Alleen dan wel op mijn eigen voorwaarden met een biertje en een goed boek. En dat zat er nu net niet in. Wel veel podcasts, muziek en slapen.

Op dinsdagmiddag kreeg ik na een onderzoek een laserbehandeling. En dat, lieve kijkbuiskinderen, viel me niet mee. Allereerst de onderzoeken waarbij er een soort van diafragma op je oogbol geduwd werd. Mijn oog voelde al beurs aan. En daarna een behandeling waarbij er groene lasers mijn oog ingejaagd werden. Wel groene, dus van het rebellenleger van Star Wars. Dat was dan wel weer een opsteker. Ik heb geprobeerd aan positieve dingen te denken terwijl er een X-Wing fighter zijn lading op mijn oog afvuurde.

Ik kan er nu wel lollig over doen maar dinsdagavond voelde ik me echt miserabel. Er zat weer een kapje over mijn oog en daardoor kon ik mijn bril niet op. En met -5 zie je en kan je dan echt helemaal niks. Ik ben ook vroeg gaan slapen maar voelde de prik van de verdoving en de laserbehandeling eigenlijk de hele nacht.

Op woensdag, donderdag en vrijdag werd het allengs wat beter. Keek ik eerst nog tegen een hele grote gasbel in mijn oog aan, deze begon langzaam kleiner te worden (de gaswinning is Slochteren is er niks bij). Ook de erwtensoep waar ik eerst doorheen keek veranderde langzaamaan in kippensoep en is nu op weg naar een bouillon te worden. Goed zicht heb ik echter nog lang niet. Met een goed én een minder goed oog kijken is ook enorm vermoeiend. Pas op vrijdagavond was ik weer een soort van mens die niet na het avondeten naar zijn bed snakte.

Ik heb ook een polsbandje om die je normaliter bij festivals zou krijgen. We hebben het hier gekscherend het oogfestival genoemd. Ik mag geen lachgas gebruiken (bummer, ik heb hier nog een hele lading) en niet vliegen zolang het polsbandje nog om mijn arm zit. Aanstaande maandagochtend heb ik weer controle en dan weten we wat meer. Normaal gesproken is mijn oog er een minpunt op achteruit gegaan en mag ik voorlopig ook niet autorijden.

Sporten, bukken en zware dingen tillen is de eerste periode uit den boze. Maar dat zou na een week of twee wel weer mogen. Gelukkig heb ik genoeg steun aan Sandra, Bastiaan en de familie van mij en Sandra. Ook de buurvrouw die telkens tussen de middag de oogdruppels kwam toedienen. Je ziet pas hoe onthand je bent als je er zelf mee te maken krijgt. Enfin, in de loop van de volgende week hopelijk een positief bericht. 

 

Wat rijmt er op Haringvlietbrug? Geen weg terug. Verslag Roparun 2019

Gelukkig veranderen sommige dingen nooit. Op de hoek van de Avenue des Entrepeneurs (mooie naam, de ondernemersstraat) zit nog steeds de supermarkt met de redelijk briljante naam ‘Paristanbul’. Hier stonden Menno en ik geparkeerd tijdens de 2016 editie van de Roparun om de lopers als chauffeurs te begeleiden.

Op dit punt heb je er ongeveer zeven kilometer op zitten vanaf de start. Zeven kilometer door een behoorlijke gribus-buurt met kebabzaken en vormeloze flats. En dan ineens ben je pats boem op het Franse platteland. Het enige dat aan een grote stad in de buurt herinnert is een behoorlijk grote elektriciteitscentrale midden in een weiland. De Roparun was nu echt aan de gang, want begonnen was hij al maanden eerder.

Net als vorig jaar waren Nikki, Menno en ik er snel uit. In 2019 zouden we gewoon weer mee gaan doen met de Roparun. Een berichtje in de Whatsapp-groep, die eigenlijk nooit stil is blijven staan na de finish in 2018, was de opmaat naar een nieuw avontuur. Zelfde naam, voor het grootste gedeelte dezelfde mensen.

De rolverdeling qua organisatie was wederom duidelijk: Menno de algehele coördinatie en planning, Nikki de financiën, teamcaptain en communicatie met de Roparun. Ik deed de PR naar buiten toe en ronselde nog wat mensen. Maanden aan voorbereiding gingen eraan vooraf. Sponsors zoeken, onze donateurs bedanken en een roadtrip naar Frankrijk om nieuwe pleisterplaatsen te ontdekken.

Daarna volgden lijstjes, lijstjes en nog meer lijstjes. Met als doel om zoveel mogelijk via sponsors te kunnen regelen. Boodschappen, busjes en nog veel en veel meer. We kookten met zijn allen onze maaltjes in de Stayokay en toen was het de donderdag voor Pinksteren. Als een militaire operatie werden de vrachtwagens gevuld met spullen die we nodig hadden tijdens de 532 kilometer van Parijs naar huis. Veldbedden, tenten en kookgerei. En heel veel eten en drinken. Heel veel.

Etappe 1. Parijs – Mortefontaine

In de bus op weg naar Parijs kregen we van Smulbeer allemaal een ansichtkaart met een persoonlijke boodschap erop. Een boodschap die bij eenieder binnen kwam getuige de vochtige ogen. Op dit specifieke moment werd het fundament van team A gelegd. Toen ik daarna van Nikki hoorde dat ik als loper mocht starten had ik zelfs geen praatjes meer. En dat voor de communicatieman.

Op het startterrein was het nogal onrustig. Niet alleen vanwege de storm maar ook doordat het hele team uit volle borst het door stewardess Angela geschreven lied meebrulde. De bak van de vrachtwagen, die tijdelijk als eetzaal dienstdeed, deinde vrolijk op en neer op de klanken van het jatogniettan-lied. En waar andere teams het (te) serieus aanpakken kozen wij voor de feesttent. Misschien wel het gevaarlijkste stuk van de Roparun want je moet wel nog 532 kilometer naar huis. En met een kater rennen is niks.

StartloperT

Op zaterdag zwaaiden we het eerste team uit en dat was toevallig team 149 waarmee ik mijn eerste Roparun-avontuur beleefde. Gelukkig kon ik Jacco nog net een handje geven voor hun start. Het was sowieso een soort van reünie want bij diverse andere teams liepen Kieviten, RRC’ers en andere bekenden. Om 13:36 was dan eindelijk de start. De start van hetgeen we al maanden naar toe leefden.

Om te mogen starten is mooi, echt mooi. De eerste meters liep ik naast een kerel die behoorlijke zijn turbo opentrok en die ik nadien nog een paar keer heb gezien. De eerste 1500 meter waren zo voorbij en toen was Oppie aan de beurt, daarna Angela en daarna ik weer. Haasje over, met Lisette voor ons op de fiets als navigator. Het eerste stuk is druk met stoplichten, stoepen en wandelaars en zodoende kom je pas echt in je ritme bij de supermarkt Paristanbul. Hier kon de derde fiets de bus in en was het tijd voor Saskia om te gaan lopen. De achterste fiets was vanaf nu voor Richard.

Aan Nikki en Smulbeer de taak om na 1500 meter een veilig plekje te zoeken om een nieuwe loper eruit te laten. Dat valt in het begin nog niet mee want er zijn zoveel teams onderweg. En langs de Franse weilanden barst het nou niet van de parkeerplaatsen. Wel van klaprozen en slaperige dorpjes. Dorpjes waar er zonder uitzondering in het centrum een monument staat ter nagedachtenis aan de gevallenen van de eerste wereldoorlog. En toen waren we bij Mortefontaine, een stop die we een jaar eerder ook deden.

Na 34 kilometer was het klaar en kon het popelende team B ook op pad met hun eerste etappe.

Etappe 2. Villers-sur-Coudon – Beauvois-En-Vermandois

Onze pleisterplaats was dezelfde als vorig jaar. Toen al een aangename verrassing qua locatie maar dit jaar waren er zelfs douches beschikbaar. Slapen in de buitenlucht, na een massage om de spanning van de kuiten wat weg te halen, zat er helaas niet in. Toen ik net op mijn Bert en Ernie wilde gaan liggen, kwam er een weerswaarschuwing. Bij ons regende het niet maar team B kreeg het op die etappe al voor hun kiezen. 

De afspraak is dat als het andere team op 12 kilometer afstand is iedereen die slaapt wakker gemaakt wordt. Zodoende heb je een uur de tijd om nog wat te eten en je nieuwe hardloopkloffie aan te trekken. Met lichtvest want het was inmiddels al acht uur geweest. De telefooncel waar ik vorig jaar een telefooncelfie nam was helaas verdwenen. Zelfs hier hebben ze mobiele dekking.

We bedankten de kwartiermakers voor de goede zorgen en met een cameraploeg van RTV Lansingerland in ons kielzog vingen we team B op. Die konden door naar de volgende stop. Wij liepen de zonsondergang tegemoet. En wat een mooie zonsondergang werd het. Het was nog lekker warm en de zon zakte langzaam achter de horizon, het platteland een oranje gloed gevend.

Het mooie van de Roparun is dat je met je fietsers gesprekken over van alles en nog wat hebt (dit keer veel geschiedenis), de bus instapt als je afgetikt bent om vervolgens 20 minuten weer verder te gaan waar je gebleven was. Op deze manier gingen de kilometers snel. Het leek op deze avond wel of iedereen in Frankrijk zich verstopt had in zijn huizen. Heel af en toe kwamen we langs een huis waar het licht wel aan brandde. Maar over het algemeen liepen we kilometer na kilometer dorp in en dorp uit zonder Fransen te zien.

Op een gegeven moment passeer je een bordje waarop de naam van het riviertje staat waar je overheen loopt. ‘la Somme’ staat er achteloos geschreven. Alsof de naam van dit riviertje niet symbool staat voor de meer dan een miljoen doden die er in 1916 op het slagveld vielen. In het donker zorgen de lichtvesten van alle teams voor een lang rood lint door een pikzwarte nacht. Dat zouden ze eens moeten filmen vanuit de lucht. De honden die ons in 2018 nog blaffend tegemoet renden bij iedere boerderij lagen nu blijkbaar te slapen. Ik heb ze nauwelijks gehoord.

Etappe 3. Saint-Python – Baudour

Het bericht dat team B op 12 kilometer afstand was kwam tegelijk met het starten van het aggregaat. Bij het wakker worden bleek dat we op het dorpsplein naast het team van de Gouden Griffel stonden. Vorig jaar kwamen we door dit dorpje heen en kochten we bij de Boulanger (die op dit tijdstip op pinksterzondag al open was) vers brood en taartjes. Alsof we nog niet genoeg zoetigheid bij ons hadden. Het was mijn beurt om te gaan lopen en de spieren hadden wat moeite met de eerste kilometers.

Deze etappe zou ons richting België brengen en op een gegeven moment deden we haasje over met een in het geel gestoken team. De loper in kwestie bleek Robin te kennen. Twee shifts later had ik er weer een deelnemer aan een peenvogeltrip bij. Tijdens het lopen en rijden zie je op iedere plek langs de weg teams staan die daar hun kampement hebben opgebouwd. Sommigen met tenten, anderen met campers en er zijn ook teams met bussen en vrachtwagens. Af en toe zie je deelnemers in de buitenlucht slapen in een stoel, en her en der hangen de handdoeken aan een waslijntje tussen twee busjes te drogen. De Roparun is overal.

De bakker in Saint-Python hadden we overgeslagen maar Saskia had al een dreigement geuit dat als ze geen tartelette citron te eten zou krijgen er wat zou zwaaien. Bij de eerste bakker die wel open was lagen er drie in de vitrine en niet veel later in bus 335. Voor de fietsers hadden we ook nog wat vers stokbrood gekocht en vooral het verbaasde gezicht van Lisette toen ze ineens een stokbrood in haar mandje kreeg was schitterend.

Escarmain, Capelle, Ruesmes en ineens staat daar Quiévrechain op de borden. Dat is bijna België wist ik van de vorige keren. Kwam het door de muziek die Lisette draaide? De gesprekken met Richard? Of de grappen en grollen met de rest van het busje dat deze etappe zo snel ging? Aan de andere kant van de grens ligt Quievrain en dan zijn we ineens in België. Dorpjes met kerkpleinen en begraafplaatsen maken plaats voor de typische Belgische lintbebouwing. En alle rolluiken zitten dicht.

In het eerste gedeelte van Quievrain stikt het van de tabakswinkels, nicotinetoerisme tiert welig hier. We gaan op weg naar een sportcomplex nabij Bergen, in Wallonië letterlijk vertaalt naar Mons. Zo makkelijk kan het zijn. Aan de andere kant van de weg komen tientallen offroad-motoren onze kant op. Geen idee wat ze gaan doen maar het zijn er enorm veel. De flatgebouwen op dit stuk kunnen wel wat onderhoud gebruiken. Met hun betonnen balkons lijkt het wel een goedkoop hotel uit Benidorm. Alleen de Engelse vlaggen ontbreken nog.

Bij een grote supermarkt vlak voor onze stop stonden flink wat teambusjes die snel nog wat zaken kopen. Het is de eerste grote winkel die ik openzie en dan ineens komt het stukje route mij bekend voor. Hier hadden Martin, Menno en ik rondgereden om een slaapplaats uit te kiezen. Na de nodige high-fives mocht B weer op pad en reden wij richting Asbeek. Alwaar we bij een kleine voetbalclub een mooi plaatsje hadden bedacht.

Tijdens de site-survey was het er uiteraard verlaten, maar bij aankomst bij de kantine stond er al een ander team. Dat kwam achteraf goed uit want zij hadden blijkbaar een afspraak met de voetbalclub gemaakt over het gebruik van de kantine en de kleedkamers. Nu moet je kleedkamer niet al te letterlijk nemen. In de hoek van het ballenhok was een kleine ruimte waarin een douchecabine was gefabriceerd. Het water was ijskoud maar dat deerde niet. Even het zweet afspoelen was al lekker genoeg.

Na een massage was het tijd om even te gaan slapen totdat team B er weer aan kwam. Chauffeurs Ward en Peter hadden zich verkleed als dokters en met mondkapje en al dwongen ze iedereen tot een dopingtest, we gingen blijkbaar te hard.

Etappe 4. Asbeek – Kruibeke

Het voordeel van team A is dat je door Zele heen mag. En dat vooruitzicht hadden we toen we op pad gingen door België. Bij de tweede shift voelde ik mijn hamstring alweer opspelen. Gelukkig had Oppie een soort van wondermiddel bij zich dat waarschijnlijk nooit door de dopingcontrole heen zou komen. Maar het zorgde er wel voor dat we door konden blijven lopen. Nadeel was dat dit spul nog feller ging branden als het nat werd. En dat werd het wel door het zweet.

In de dorpen en steden die we nu passeerden was het feest. Overal stonden er mensen langs de kant die op deze pinksterzondag tafels en stoelen hadden buiten gezet. Biertje erbij en wat te eten. Eten kregen wij ook van de toeschouwers. Cake, bananen en zelfs friet en chocolade. Je bent in België of je bent het niet. In Dendermonde zat het hele plein vol met mensen en toen kwam Zele. Ondanks dat we er een stuk vroeger waren dan vorig jaar was het er gewoon al druk. De speaker maakte wat raars van onze naam maar het mooiste moest nog komen. Het thema in Zele was vuur en daarom hadden we speelgoed brandweerhelmen gekocht. Met een sirene bovenop. Nu had het vuurthema echter met een draak te maken en zodoende werden wij als team van de brandweer aangekondigd.

Team brandweer

Na Zele was het een stukje run-bike-run en overal langs de straat stonden kaarsen te branden. Bij een toiletstop voor Zele zag ik al een heel team in een kring een moment van stilte houden rondom een groep waxinelichtjes. Deze lichtjes symboliseerden waarschijnlijk bekenden die kanker helaas niet overleefden.

Na Zele loop je parallel aan de Schelde en dan weet je dat Antwerpen eraan komt. En voor Antwerpen onze wissel in Kruibeke. Hier en daar zaten mensen in cafés een biertje te doen en op de hoek van de straat stonden broodmachines te wachten op klandizie. Het was bijna middernacht.

Etappe 5. Halsteren – Numansdorp

Als er in de Dikke van Dale een definitie van herboren zou moeten staan dan kun je onze stop in Halsteren daarmee kunnen omschrijven. Een warm bakkie thee, een douche en slapen in het warme restaurant van het zwembad. Voordat mijn oor het kussen raakte sliep ik al.

Het bekende ‘nog 12 kilometer’ klonk toch als een onaangename verrassing want ik lag zo lekker te slapen. Kleren aan, tas inpakken en spullen klaarzetten die mee moeten op de fiets. De etappes zijn vanaf hier alleen nog maar run-bike-run en ieder team pakt dat weer anders aan. Wij gingen met de vier lopers en Nikki op pad. Zij was nog nooit mee geweest op dit stuk.

Besloten werd om kilometers te gaan lopen. De 1500 meters de etappe ervoor had toch wel voor wat fysieke ongemakken gezorgd bij een aantal lopers waaronder ikzelf. Langs de kant van de weg zaten mensen die net wakker waren of nog wakker waren voor hun huis. Overal klonk carnavalsmuziek. Sommige mensen zaten aan de thee, anderen nog aan het bier. We kregen van de toeschouwers weer eten en drinken. Aardbeien, cake, thee en water. In Willemstad zie je aan de andere kant Numansdorp al liggen maar eerst moet je de Haringvlietbrug nog over. De laatste kilometers van onze etappes. Per loper zeker 65 kilometer in de benen.

Het laatste stuk kwam alles eruit. Grappen en grollen, en keihard meezingen op zelfverzonnen teksten. Ik mocht door Numansdorp heen lopen en kwam Kees, Jan, Phary en Bianca tegen die speciaal voor mij daar stonden te wachten. Daarna mocht Angela het afmaken om na een lange sprint in de armen van haar man te springen. Onder luid gejuich van team B.

Finish Rotterdam

Terwijl team B en alle newbees op weg waren richting de finish gooiden wij de meeste spullen alweer in de loods en vertrokken wij daarna richting Rotterdam. Bij de Unilever voor de deur werd kamp extra ingericht. Met onze vlaggen in de hand moedigden we de andere teams aan die voorbijtrokken totdat we in de verte onze bekende zwarte shirts aan zagen komen. En ondanks dat we ze slechts een paar uur daarvoor hadden uitgezwaaid was het toch een emotioneel moment. Het familiehuis hakt er altijd in. Met tranen in de ogen vervolgden we onze weg.

Vanaf de echte finish trokken we als een team richting Binnenrotte. Geflankeerd door vrienden en bekenden en opgewacht door familie en vrienden. Een mengeling van trots, vreugde en verdriet toen we onze dierbaren weer terugzagen. Grote jongens die het tijdens de Roparun droog weten te houden. Met de gerbera in de ene hand en een biertje in de andere kwamen we onder applaus over de finish na een behoorlijk vlekkeloze Roparun. De biertjes erna waren verdiend en nog voor het afscheid had iedereen het over volgend jaar.

Het aftellen naar 2020 is nu al begonnen. De Roparun-blues kickte er al in voordat ik rozig in de metro zat. Met mijn hardloopkloffie aan, mijn medaille om mijn nek en mijn meest dierbaren om me heen. #janken.

Eeuwige dank aan deze herinneringen in willekeurige volgorde: Ward, Martin, Tristan, Brigitte, Pascal, René, Oppie, Lisette, Smulbeer, Warren, Richard, Frank, Saskia, Gert-Jan, Claudia L, Claudia D, Peter, Walter, Angela en vooral aan Menno en Nikki zonder wie dat avontuur nooit plaats had kunnen vinden.

Extra dank aan Sandra en Bastiaan die ongetwijfeld gek werden van al dat ‘geroparun’. Volgend jaar Pinksteren zullen ze me echter weer moeten missen. Een keer Roparun…..